U heeft een pensioentekort wanneer u in een bepaald
jaar minder dan uw jaarruimte aan pensioen heeft opgebouwd. Het bedrag dat u in
een bepaald jaar belastingvrij op mag bouwen aan uw oudedagsvoorziening, oftewel uw jaarruimte, bedraagt 17% van uw premiegrondslag.
De premiegrondslag bestaat uit: winst uit onderneming (voor mutaties aan de
FOR), belastbaar loon, belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en
belastbare uitkeringen vermindert met de AOW-franchise.
De premiegrondslag bedraagt maximaal 128.242 euro. Om uw jaarruimte te
berekenen vermindert u uw premiegrondslag met: 7,5 maal pensioenopbouw die u
via uw werkgever opbouwt, uw vrijwillige pensioenpremies uit gedeblokkeerde
bedrijfsspaarregelingen, uw basisruimte (maximaal 1069 euro en is afgeschaft in
2003), positieve
wijzigingen in uw FOR.
[an error occurred while processing this directive]
Voor meer informatie over pensioen berekenen adviseren wij u de site:
Bedrijf failliet te bezoeken.
pensioen berekenen nieuws
Wijziging berekenen pensioentekort april 2003
Wijziging berekenen pensioentekort april 2003
Op 8 april 2003 heeft de staatssecretaris van Financiën een brief gestuurd aan
de Tweede Kamer met betrekking tot de opgave van de factor A. De factor A is
nodig om te berekenen of sprake is van een pensioentekort, met als doel dat een
belastingplichtige in aanmerking kan komen voor lijfrentepremieaftrek op grond
van de jaarruimte.
Vorig jaar is hierover een amendement ingediend.In dit amendement werd
voorgesteld om een eventueel pensioentekort niet meer te toetsen aan de
pensioenaangroei (factor A) in het jaar waarin de aftrek van lijfrentepremie is
gewenst (jaar t), maar om een eventueel pensioentekort te toetsen aan de factor
A in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de aftrek van
lijfrentepremie is gewenst (jaar t-1).
Hierdoor zouden pensioenuitvoerders reeds in het relevante belastingjaar aan de
belastingplichtige een opgave van de factor A kunnen doen. Inmiddels is het
amendement Van Vroonhoven-Kok per 1 januari 2003 in de Wet IB 2001 opgenomen.
De staatssecretaris van Financiën merkt op dat het voor de belastingplichtige
nog meer tijdwinst zou opleveren wanneer de inkomensgegevens van het jaar t-1
worden gebruikt. Dan hoeven belastingplichtigen namelijk niet meer de opgave
van hun inkomen af te wachten.
Op grond van het voorgaande is de staatssecretaris, in overleg met het
verzekeraars en pensioenfondsen tot het volgende voorstel gekomen.
Voor alle gegevens die nodig zijn voor de berekening van de lijfrentepremieaftrek
vanwege een pensioentekort, wordt uitgegaan van het kalenderjaar t-1. Dit geldt
voor de factor A, de dotatie aan de FOR en voor de inkomensgegevens.
De factor A moet door de pensioenverzekeraar binnen 10 maanden in het
kalenderjaar waarop de premieaftrek betrekking heeft aan de belastingplichtige
worden verstrekt.
Een belastingplichtige kan de premies voor lijfrenten die binnen 3 maanden na
afloop van het kalenderjaar zijn betaald of verrekend, bij de aangifte
aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar.
Om dit te kunnen realiseren moet de Wet IB2001 worden aangepast. Vooruitlopend
hierop zal de staatssecretaris zo snel mogelijk een goedkeuringsbesluit
publiceren waarin wordt goedgekeurd dat voor het kalenderjaar 2003 belastingplichtigen
bij de berekening van de jaarruimte uit mogen gaan van de inkomensgegevens van
het jaar 2002. Dit betekent dat wat betreft de inkomensgegevens voor het
kalenderjaar 2003 een eenmalig keuzeregime ontstaat: belastingplichtigen mogen
kiezen of zij voor de inkomensgegevens aansluiten bij het kalenderjaar 2002 of
2003. Voor het jaar 2003 wordt, bij wijze van overgangsregeling, een
terugwenteltermijn van 6 maanden gehanteerd. Daarna zal dus een
terugwenteltermijn van drie maanden gaan gelden.
De FVP-regeling zorgt ervoor dat in een periode volgend op ontslag, waarin de betreffende werknemer recht heeft op een WW-uitkering, de pensioenopbouw (gedeeltelijk) wordt voortgezet. Deze FVP-regeling gaat per 1 januari 2004 op een aantal onderdelen veranderen. Eén en ander onder voorwaarde van de definitieve besluitvorming. Allereerst worden de proeftijdgevallen beschreven. Deze proeftijdgevallen verkrijgen onder bepaalde voorwaarden het recht op een FVP-bijdrage. Het gaat dan om situaties waarbij een langdurig dienstverband met pensioenvoorziening direct aansluitend wordt gevolgd door een kortdurend dienstverband zonder pensioenvoorziening, waarna werkloosheid ontstaat. Tot op heden werden deze ‘proeftijdgevallen’ afgehandeld door toetsing aan de hardheidsclausule. Vervolgens worden ook personen met een reïntegratie-uitkering op grond van artikel 23 van de Wet REA toegelaten tot de regeling. Tot slot volgt de invoering van een wachtperiode van 180 dagen. Voor elke FVP-gerechtigde zal over de eerste 180 dagen géén voortzettingsbijdrage worden verstrekt.De wijzigingen die worden doorgevoerd zijn het meest ingrijpend sinds de totstandkoming van de FVP-regeling. Een aantal onbedoelde effecten, zoals ontslag in proefperiode, worden met de nieuwe regeling weggenomen. Een gevolg van de wachtperiode kan zijn dat de pensioenuitvoerder over de gehele werkloosheidsperiode minder pensioenaanspraken hoeft te verlenen. Indien u zich ooit in een dergelijke situatie mocht begeven, lijkt het raadzaam om contact op te nemen met uw adviseur om de mogelijkheden van de FVP-regeling te bezien.